[Intro ]
D G D G A7 D
[Verso 1]
D A D G A D
Wat hebt gij in uw ransel, dat mij van dienst kan zijn?
D A D G A D
Kanelekoek met krenten, gebak en marsepein.
A D G D A
Och man krijg toch de kramp, gij zult nooit een zeeman zijn.
D A D G A D
Zwart brood dat zult gij eten, als gij matroos wilt zijn.
[Refrão]
D G D A D A
Schipper ik wil varen, Schipper neem mij aan.
D G D Em A7 D
Ik wil de zee bevaren, Met u de plas op gaan.
A A D D Em Em A
Ahoi, ahoi, ahoi, ahoi, ahoi, ahoi, ahoi,
D A D
Met u de plas op gaan.
[Verso 2]
D A D G A D
Wat hebt gij in uw ransel, dat mij van dienst kan zijn?
D A D G A D
Ik nam mijn dekens mede, en lakens van satijn.
A D G D A
Och man laat mij niet lachen, gij zult nooit een zeeman zijn.
D A D G A D
In een hangmat zult gij slapen, als gij matroos wilt zijn.
[Verso 3]
D A D G A D
Wat hebt gij in uw ransel, dat mij van dienst kan zijn?
D A D G A D
Mijn liefke nam ik mede, mijn blonde maagdelijn.
A D G D A
Och man, loop naar de duivel, ge zult nooit een zeeman zijn.
D A D G A D
Een jonkman zult gij blijven, als gij matroos wilt zijn.
[Verso 4]
D A D G A D
Wat hebt gij in uw ransel, dat mij van dienst kan zijn?
D A D G A D
Een kruikske vol jenever, een vat met brandewijn.
A D G D A
Kom hier man laat ons drinken, geef hier die brandewijn.
D A D G A D
Ge hebt al wat er van doen is, om een goed matroos te zijn.
ESCOLHA OS ACORDES:
|